Gent in de sporen van de Oostenrijkers

Hoewel Gent doorheen de eeuwen altijd streefde naar onafhankelijkheid beleefde ze een van haar meest welvarende periodes onder Oostenrijks bewind. Wij gaan op zoek naar sporen uit die periode

Een complex spel van internationale belangen en evenwichten brengt de zuidelijke Nederlanden na de vrede van Utrecht in 1713 onder Oostenrijks bewind gedurende bijna de hele 18de eeuw. Het is een periode van economische heropleving. De aardappelteelt heeft de honger bij de gewone man weggenomen.

Voor de nijverheid betekent deze periode het prille begin van de industriële revolutie. In Gent wordt onder keizerin Maria Theresia het kanaal Brugge-Gent uitgediept en wordt de Coupure gegraven, waardoor het kanaal verbonden wordt met de haven aan de Leie. Een ver doorgedreven octrooipolitiek maakt het mogelijk dat nieuwe bedrijven zich in Gent komen vestigen. Gent wordt tijdens de Oostenrijkse periode de belangrijkste linnenmarkt van de zuidelijke Nederlanden.

In de politiek gaat het verlicht despotisme van keizer Jozef II de strijd aan met de kerk en haar monopolie in het onderwijs. De jezuïetenorde wordt afgeschaft. Dit geeft de overheid de kans de Theresiaanse colleges op te richten, waar Latijn niet meer het hoofdvak is. Hierdoor begint het Frans het Latijn als wetenschapstaal te verdringen. In dezelfde periode ontstaan de Gentse vrijmetselaarsloges.

De economische voorspoed zorgt voor opvallende architectuur en stadspaleizen in Gent. Drie stijlen volgen mekaar op onder de Oostenrijkers. De rijke burgerij etaleert haar rijkdom eerst in Lodewijk XIV stijl. Het is het definitieve einde van de trapgevel. Later, onder keizerin Maria Theresia viert de speelse rococo hoogtij in officiële gebouwen en burgerwoningen. In een reactie tegen de rococo en onder invloed van de herontdekking van de antieke cultuur met de opgravingen in Pompeï verschijnt in de tweede helft van de 18de eeuw het classicisme van de Lodewijk XVI stijl in Gent.

De rondleiding brengt ons langs de woningen van textielbaronnen en industriële adel in de verschillende stijlen. Bernard de Wilde en David ‘t Kindt zijn de belangrijkste architecten. Ze bouwen in Gent hotel Falligan, de Hoofdwacht op de Kouter, de Mammelokker bij de stadsgevangenis, de stadspaleizen van D’Hane Steenhuyse, van Clemmen en hotel van Oombergen. Ook de Sint-Baafskathedraal bevat heel wat kunstschatten uit deze periode.

Terug naar overzichtReserveer